Voor tuindaken heeft het echter wel zin de verschillende lagen bij de berekening te betrekken. Het probleem dat zich daarbij voordoet is dat de warmtegeleidingscoëfficiënt van substraat en vegetatie geen precieze gegevens bekend zijn. Wanneer men een goede warmteweerstand op de eerste plaats belangrijk acht om het energieverlies te beperken, dient men zich te realiseren dat deze eigenschap vooral in de winterperiode van belang is. Juist dan zal er over het algemeen echter sprake zijn van méér neerslag dan verdamping en dat betekent dat alle grond en begroeiing vrijwel permanent nat zijn. Dit geldt zelfs voor een hellend dak, hoewel de omstandigheden daarbij wel gunstiger zijn. Teruggang in warmteweerstand gedurende de winterperiode treedt ook op bij sterk vochtbufferende substraatmengsels.
Onderstaande tabel geeft richtwaarden voor de warmtegeleidingscoëfficiënt (lambda-waarde) voor enige materialen toegepast in een begroeid dak.
Materiaal | Lambda-waarde W/(m•K) |
Rubbergranulaat | 0,15 |
Grind | 3,5 |
Kunststof drainagelaag | 0,4 |
Aarde | 2,0 |
Licht substraatmengsel | 0,6 |
Vegetatie | 0,1 |
Een redelijke bijdrage van een tuindak aan de warmteweerstand mag dan onder winterse omstandigheden twijfelachtig zijn. In de zomer kan een tuindak een zeer gunstig effect (koeling) hebben. Afhankelijk van de dikte der verschillende lagen en de massa van het substraatmengsel is er een redelijke tot aanzienlijke invloed op het warmteverlies.
Eenvoudige richtlijnen zijn hiervoor echter niet te geven. Analyse van mogelijke invloeden moet worden overgelaten aan specialisten.
-------------------------------
Bron: 3.2 Daken in't groen
________________
Foto: Sempergeen


























