Bijlage F: Dakdetails

Home » BIJLAGEN » Bijlage F: Dakdetails
Bijlage F: Dakdetails2018-10-08T13:35:38+00:00

F1   Dikte substraatlaag

 

Tabel F1:   Overzicht substraat dikte per type begroeiing
*) Gewicht excl. substraat en wateropname

F2   Standaard opbouw dakbegroeiingssysteem

Uitvoering:  Opbouw met thermische isolatie

 

Tabel F2: Benoeming lagen van de opbouw in een begroeid dak
Bij een ongeïsoleerd begroeid dak ontbreekt de isolatielaag en dampremmende laag

F3   Aandachtspunten ontwerp en uitvoering

De vegetatievrije zone (dakgrind, tegels eventueel op tegeldragers, …) bevindt zich in het algemeen langs dakranden, opstanden, rond lichtkoepels en hemelwaterafvoerputten.

Geadviseerde breedte (300 – 500 mm) t.b.v. controle- en onderhoudswerkzaamheden.

Indien een vegetatievrije zone is vereist voor brandoverslag langs dakranden, opstanden, rond lichtkoepels moet deze van voldoende breedte zijn.

  • 300mm bij dakdoorbrekingen met en zonder opstand en dakdoorvoeren
  • 800mm bij gevelaansluitingen met deuren en ramen (openingen) aangebracht op of lager dan 800 mm gemeten van af de bovenzijde van de substraatlaag

Figuur F3: Aansluiting vegetatievrije zone met dakrand – dakdoorvoering (lichtkoepel)

Compartimentering
Om verdere brandvoortplanting te beperken moet het dakbegroeiingssysteem worden gecompartimenteerd op afstanden van max. 40 m.

Deze compartimentering moet bestaan uit:
• opstanden van onbrandbaar materiaal met een hoogte van min. 300 mm
of
• vegetatievrije zones met een breedte van min. 500 mm, voorzien van een onbrandbaar materiaal ( dakgrind, betontegels, …)

Opstandhoogte
De opstandhoogte bij detailaansluitingen moet minimaal 120mm bedragen gerekend vanaf de bovenkant substraat.

Veilig werken
Ontwerp en uitvoering van detailaansluitingen moeten voldoen aan NEN 6050 (Voorwaarden voor brandveilig werken aan daken).

Valbescherming
Tijdelijke valbescherming:
• Zorg voor persoonlijke en tijdelijke valbescherming.

Permanente valbescherming:
• Overleg tijdig met de leverancier van deze voorzieningen voor juiste aanpassingen en uitvoering.

Ballastgewicht, erosie
De windweerstand van het bevestigde dakbedekkingssysteem moet groter of gelijk aan de windbelasting zijn, bepaald volgens NEN-EN 1991-1-4+NB met als uitgangspunt dat het gewicht van de extensieve begroeiing geen vermindering geeft van de windbelasting.
(zie dakdetails F4)

F4   Dakzones (NTA 8292)


 

 

F5   Coderingssysteem bitumen dakbanen (BRL 1511)

(VEBIDAK uitgave :Vakrichtlijn gesloten dakbedekkingssystemen Deel B)

Voorbeeld codering*): 4 70 K 24
Zie verklaring: #1 #2 #3 #4

 

#1 = Soort bitumen (1 cijfer)
2= geoxideerd bitumen
3= elastomere bitumen (bv. SBS)
4= plastomere bitumen (bv. APP)

 

#2 = Soort drager (2 cijfers) – bovenste drager voorop
  Voorbeeld
3= glasweefsel Glasvlies                                =40
4= glasvlies  
5= geperforeerd glasvlies Glasvlies + polyestermat
6= polyestermat (Glasvlies boven)                     =46
7= polyestermat- glascombinatie  
8= metaalfolie Polyestermat-glascombinatie =70

 

#3 = Eventuele certificaat (letter)
K= KOMO gecertificeerd
P= onderlagen KOMO gecertificeerd – = niet KOMO gecertificeerd

 

#4 = Afwerking (2 cijfers) – afwerking bovenzijde voorop
  Voorbeeld
0= geen afwerking Beide zijden afgestrooid (talk of zand =11
1= fijn materiaal (talk, zand)  

2= grove minerale korrels als UV bescherming

Bovenzijde fijn mineraal
Onderzijde MEC                                   =14

3= noppen of strepenals dampdrukvereffeningslaag

 
4= extra coating (MEC) Bovenzijde leislag, onderzijde MEC
5= metaalfolie Bovenzijde fijn mineraal                       =24
6=kunststoffolie  
7= stripfolie of strippapier (zelfklevende materialen)  

 

Voorbeeld codering: 470 K 24
Dit staat voor: gemineraliseerd plastomeer (APP) gemodificeerd gebitumineerde polyestermat glascombinatie MEC.

F6   Notatiesysteem dakbedekkingsconstructies (VEBIDAK)

(VEBIDAK uitgave: Vakrichtlijn gesloten dakbedekkingssystemen Deel B)

ballastlaag

*)

(waterdichte laag) toplaag

*)

(waterdichte laag) onderlaag

*)

isolatielaag #)

*)

beschermlaag laag

*)

dampremmende laag

onderconstructie / dakconstructie

Notatiesysteem (algemeen)

ballastlaag

BF

APP/SBS dakbanen

N / BP*

Eenzijdig gebitumineerde dakbanen/bitumen dakbanen met thermstrepen voor partiele hechting

#

EPS/PIR/PUR (afschot) isolatie

KF/KP*

Bitumen dakbanen

 

 

onderconstructie / dakconstructie

Notatiesysteem (voorbeeld)

*) bevestigingswijze

L = los liggend

N = mechanisch bevestigd

BF = branden volledig

BP = branden partieel

GF = gieten volledig

GP = gieten partieel

KF = bitumineus koud kleven volledig

KP = bitumineus koud kleven partieel

PU = kleven PU lijm

A = zelfklevend

Y = combinatie (te specificeren)

 

#) aanduiding isolatielaag

CG   = cellulair glas

EPB =perlietboard

EPS   = geëxpandeerd polystyreenschuim

MWR = steenwol

PF      = fenolschuim

PUR  = polyurethaanschuim

PIR     = polyisocyanuraatschuim

XPS   = geëxtrudeerd polystyreenschuim

 

C-EPS = cementgebonden polystyreenkorrels

F7   Fotovoltaïsche systemen (zonnepanelen)

Optimale afstand
Bij het opstellen van zonnepanelen op het dak, dient men vooraf goed te kijken of er geen objecten zijn die schaduw veroorzaken op de zonnepanelen. Voor platte daken geld dat wanneer de rijen zonnepanelen op te dicht op elkaar staan, deze op elkaar een schaduw geven. Hierdoor neemt de energieopbrengst af. Als ze echter te ver van elkaar af zijn geplaatst, wordt onvoldoende gebruik gemaakt van de beschikbare oppervlakte en neemt ook de energieopbrengst af

Deze afstand lijkt misschien wat lang, maar is essentieel voor een goede opbrengst bij een laagstaande winterzon.

Optimale afstand tussen zonnepanelen (A) is afhankelijk van hellingshoek(α), lengte zonnepaneel (Lp) De invalshoek (β) van de zon verschilt per geografische breedtegraad van de installatie.

Indicatie breedtegraad: Groningen 53,12º – Amsterdam 52,13º – Rotterdam 51,55º – Maastricht 50,90º)

Figuur F7: optimale afstand zonnepanelen

Vuistregel voor de onderlinge afstand (A) bij een hellingshoek (α):

α 15º 20º 25º 30º
A / Lp 2,0º 2,3 2,6 2,9

 

Schaduwwerking op zonnepanelen
Schaduw op de zonnepanelen resulteert in een lagere energieopbrengst. Schaduw wordt veroorzaakt door o.a. omliggende gebouwen vegetatie of een kleinere afstand dan de optimale berekende afstand. Het draaien van de zon beïnvloedt echter deze schaduwwerking en dus het bijkomstig effect.

Werkelijke afstand t.o.v. berekende afstand (A) 100% 95% 90% 80% 70%
Energieopbrengst zonnepaneel
bij 2 rijen waarbij de 2e rij in de schaduw komt
100% 99% 98% 96% 94%

Tab F7: invloed van schaduwwerking

Schaduwwerking op het dakoppervlak
Schaduw heeft invloed op de temperatuur van de omgeving en het buitenoppervlak van de dakconstructie. Het temperatuurverschil (DT) van het buitenoppervlak (Te) en de binnenruimte (Ti) van een gebouw bepaalt mede het warmte- en energieverlies van het gebouw. Hoe kleiner het temperatuurverschil tussen binnen en buitenoppervlak, hoe minder het energieverlies.